Is er sprake van onderaanmelding door vrouwen?

Sinds de start van het IAS in 2000 hebben 1326 asbestslachtoffers met mesothelioom een uitkering via de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) ontvangen. Deze groep bestaat voor 3% uit vrouwen. Volgens de twee landelijke kankerregistraties (NKR en CBS) is het percentage vrouwen dat jaarlijks respectievelijk mesothelioom krijgt of daaraan overlijdt hoger, namelijk tussen de 10 en 14% (1). Hoe is dit verschil te verklaren? Of nog scherper geformuleerd: is er sprake van onderaanmelding bij het IAS door vrouwen?

Een mogelijke verklaring: de relatie met het beroep wordt niet gelegd

De asbestziekte mesothelioom komt vooral voor bij mensen die intensief aan asbest zijn blootgesteld in hun werk. Dat gebeurde in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw in typische mannenberoepen als loodgieter, elektricien, verwarmingsmonteur, sloper, timmerman, pijpfitter e.d. Er is echter geen drempelwaarde bekend voor mesothelioom. Het kan dus ook voorkomen bij mensen die niet direct met asbest hebben gewerkt, maar bijvoorbeeld wel langdurig in een omgeving zijn geweest waar asbest was of waar veel met asbest werd gewerkt. Een bekende, benoemde groep is de huisgenoten, meestal partners of kinderen van (ex-)asbestwerkers. Deze groep komt sinds 2003 in aanmerking voor een uitkering via de regeling TAS. Ook in de beroepssfeer kan echter sprake zijn geweest van indirecte blootstelling aan asbest. Te denken valt bijvoorbeeld aan mensen die administratief werk deden in de omgeving van werkplaatsen waar met asbest werd gewerkt. Mogelijk is hier sprake van vrouwen, die door hun werksituatie getroffen zijn door maligne mesothelioom. De directe link met asbest zal door de slachtoffers en andere betrokkenen (waaronder de longarts) meestal niet worden gelegd, waardoor aanmelding bij het IAS niet voor de hand ligt. Een internationale vergelijking biedt op het eerste gezicht geen inzicht in de omvang van deze groep. In Frankrijk wordt 41,9% van de gevallen van mesothelioom bij vrouwen geweten aan beroepsmatige blootstelling, in het Verenigd Koninkrijk 6%. De reden voor het grote verschil tussen deze twee landen is onduidelijk (2). De vraag is dus of , en zo ja, hoe vaak in Nederland bij vrouwen met mesothelioom de relatie met beroepsmatige blootstelling aan asbest wordt gemist.

Een andere verklaring: wordt het aantal vrouwen met mesothelioom onderschat?

Hoe betrouwbaar zijn de cijfers die de twee landelijke kankerregistraties (NKR en CBS) registreren? De diagnose mesothelioom is namelijk zeer moeilijk te stellen en heeft overlap met andere aandoeningen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de mensen met peritoneum mesothelioom (buikvlieskanker). Bij ongeveer 5% van de mensen met mesothelioom is de kanker gelocaliseerd in het buikvlies (peritoneum mesothelioom). Bij deze groep is het aandeel vrouwen hoger dan bij de groep mensen met longvlieskanker (pleuraal mesothelioom). Peritoneum mesothelioom is voor artsen een lastige diagnose omdat moeilijk te bepalen is of er sprake is van een tumor met oorsprong in het buikvlies of van uitzaaiingen van andere vormen van kanker, vooral eierstok- of baarmoederhalskanker. Misdiagnose zou dus een mogelijke verklaring kunnen zijn waarom deze diagnose zo weinig wordt gesteld (3). Zit hier wellicht een verborgen groep vrouwelijke asbestslachtoffers die niet geregistreerd wordt?

Het IAS zou graag een antwoord op deze vragen krijgen. Indien u hieraan een bijdrage wil leveren kunt u contact op nemen met ondergetekende. Simone Aarendonk, juni 2007 Beleidsmedewerker Instituut Asbestslachtoffers Tel: 0703499581 Email: s.aarendonk@ser.nl