Angst voor asbestziekten

Angstschade ontstaat als een persoon angst ervaart voor mogelijke schade aan de eigen gezondheid. Welke angstschade een aan asbest blootgesteld persoon oploopt, hangt af van zijn persoonlijke psychische gesteldheid. Asbestblootstelling leidt bij sommige mensen tot een psychische aandoening, terwijl anderen bij dezelfde mate van blootstelling alleen angstgevoelens ervaren zonder een psychiatrische stoornis te ontwikkelen. Voor de beoordeling van aansprakelijkheid voor angstschade als gevolg van asbestblootstelling moet dus onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties; 1. de situatie dat angst leidt tot een psychische aandoening en 2. de situatie zonder psychisch letsel waarin de schade van de blootgestelde persoon alleen bestaat uit de vrees voor een asbest gerelateerde ziekte.

De aansprakelijkheid voor psychische aandoeningen die het gevolg zijn van asbestblootstelling is in de rechtspraak verschillende keren aan de orde gekomen. Ruim veertien jaar geleden in mei 2008, oordeelde het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat door het tekortschieten van de werkgever, namelijk het treffen van onvoldoende veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van de inademing van asbest, de angstschade van het slachtoffer voor vergoeding in aanmerking kwam. In het betreffende geval was door een deskundige vastgesteld dat als gevolg van de asbestblootstelling sprake was van ‘een in de psychiatrie erkend ziektebeeld’. Het Hof veroordeelde de werkgever tot volledige vergoeding van de door de werknemer geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het psychisch letsel. De vergoeding voor deze schade bestaat uit de kosten van behandeling, verlies aan arbeidsvermogen, kosten van expertise en verhaal, en smartengeld.

In een recente uitspraak van 6 april 2022 oordeelde de kantonrechter van de rechtbank Gelderland dat een woningbouwvereniging aansprakelijk kan worden gehouden voor het psychisch letsel van een huurder als gevolg van asbestblootstelling in een huurwoning. Door de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest die op eenvoudige wijze los kan raken, voldeed de woning niet aan de eisen die de huurder daaraan mocht stellen. Dat asbest levensgevaarlijk is, was ten tijde van de blootstelling in de periode 1998–2012  immers algemeen bekend. Een verhuurder die desalniettemin zijn huurders aan asbest blootstelt, maakt zich schuldig aan een ernstige normschending. Deze normschending leidt ertoe dat de huurder aanspraak kan maken op volledige schadevergoeding als hij ten gevolge van de asbestblootstelling een psychische aandoening ontwikkelt.

Job Voss, juridisch beleidsmedewerker IAS

September 2022