Als een werknemer een beroepsziekte oploopt, wie is er dan verantwoordelijk voor de schade?

Beroepsziekten ontstaan onder meer door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Wanneer de blootstelling door de werkgever wordt betwist, is het aan de werknemer om met bewijzen te komen. De werknemer moet dan bewijzen dat, en in welke mate, hij gedurende de werkzaamheden aan gevaarlijke omstandigheden of stoffen is blootgesteld. Daarnaast moet de werknemer voldoende aannemelijk maken (bewijzen kan zelden of niet) dat deze omstandigheden de ziekte hebben veroorzaakt.

Als een werknemer kan bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden (1) is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en (2) daardoor ziek is geworden, is de werkgever aansprakelijk als hij heeft nagelaten de werknemer tegen de ziekteoorzaak te beschermen. De werkgever is dus aansprakelijk bij een sterk vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht. De Hoge Raad bepaalde in 2013 dat voor dit vermoeden geen plaats is, als het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Om de werkgever met succes aansprakelijk te kunnen stellen is het onvoldoende dat de werknemer aannemelijk maakt dat zijn ziekte kan zijn veroorzaakt door bij de werkgever gebruikte gevaarlijke stoffen. De werknemer moet bewijzen daadwerkelijk te zijn blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.

In het arrest Weststrate/De Schelde van 26 januari 2001 is al door de Hoge Raad bepaald dat een werknemer niet kan volstaan met de stelling dat hij schade zou kunnen hebben geleden. In dit arrest over een ex-werknemer van scheepswerf De Schelde met de diagnose mesothelioom, benadrukt de Hoge Raad dat in beginsel het bewijs van blootstelling aan asbest op de werknemer rust. De enkele mogelijkheid van asbestblootstelling is niet voldoende, de werknemer zal moeten bewijzen dat hij daadwerkelijk aan asbest is blootgesteld. De kern van het arrest is als volgt.
Weststrate was bij de Schelde werkzaam, aanvankelijk als aanwezigheidscontroleur en later als administratief medewerker en groepsleider. Bij Weststrate werd mesothelioom vastgesteld. Hij stelde dat de fatale blootstelling aan asbeststof bij de Schelde had plaatsgevonden en dat De Schelde was tekortgeschoten in haar zorgplicht. De kantonrechter oordeelde dat niet was bewezen dat Weststrate tijdens zijn werkzaamheden bij de Schelde was blootgesteld aan asbest en wees de claim af. In hoger beroep overwoog de Rechtbank dat de werknemer dient te stellen, en zo nodig bewijzen dat er schade is en dat die schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. De Schelde had gemotiveerd betwist dat sprake was van blootstelling en de Rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat bij De Schelde asbest is verwerkt in de periode van het dienstverband niet betekent dat Weststrate aan asbest blootgesteld moet zijn geweest. Weststrate had tevens nog aangevoerd dat de Rechtbank de bewijslast had moeten omkeren, aangezien algemeen bekend was dat De Schelde onvoldoende maatregelen had getroffen om zijn werknemers tegen de gevaren van het werken met asbest te beschermen. De Hoge Raad zag echter geen reden tot omkering van de bewijslast. De Hoge Raad liet het oordeel van de Rechtbank in stand en stelde dat niet de enkele mogelijkheid van blootstelling, maar dat daadwerkelijke blootstelling aan asbest moet worden aangetoond.

De enkele mogelijkheid van asbestblootstelling is dus niet voldoende om aan te nemen dat de werknemer de ziekte heeft opgelopen tijdens zijn werk. De werknemer moet in de eerste plaats bewijzen dat hij op het werk aan asbest is blootgesteld. Daarnaast moet de werknemer voldoende aannemelijk maken dat zijn ziekte ook door de blootstelling is ontstaan. De vraag is vooral wanneer de werknemer dat voldoende aannemelijk gemaakt heeft. Of beter gezegd: hoe groot moet de kans zijn dat de blootstelling de ziekte heeft veroorzaakt? Dat moet situatie per situatie worden bekeken.

Voor het bewijzen van asbestblootstelling heeft de werknemer heel wat vrijheid. Zo kan de werknemer wetenschappelijke kennis en rapporten gebruiken maar ook een door een deskundige opgestelde blootstellingsevaluatie. In zaken waar blootstelling aan asbest speelt, wordt in de rechtspraak aan de Asbestkaart bij de bewijswaardering zeker gewicht toegekend, naast andere bewijsmiddelen. In een concreet geval kan de classificering op de Asbestkaart de balans in het voordeel van de werknemer doen uitvallen. Het enkele feit dat tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst volgens de Asbestkaart sprake is geweest van een goede kans op blootstelling, is echter onvoldoende als ander overtuigend bewijsmateriaal ontbreekt.

Kortom: de werknemer die getroffen is door een asbestziekte als gevolg van asbestblootstelling op het werk wordt alleen geholpen door een vermoeden dat hij door zijn werk ziek is geworden als hij de blootstelling voldoende aannemelijk kan maken. De casuïstiek van asbestziektes laten dan ook – zowel voor werkgever als voor werknemer – een juridisch complex en uitdagend beeld zien.

Job Voss, juridisch beleidsmedewerker IAS
j.voss@ias.nl

Oktober 2021